In Beelzebub’s Tales to His Grandson (1950) ontvouwt G.I. Gurdjieff een complexe, spiritueel-filosofische vertelling die bedoeld is om de lezer wakker te schudden uit een mechanisch, onbewust leven. Verpakt als een sciencefictionachtig reisverhaal vertelt Beëlzebub, een gevallen engel die door het universum reist, aan zijn kleinzoon over de mensheid en haar eigenaardigheden. Maar achter deze vertellingen schuilt een diepe kritiek op de staat van de menselijke geest, onze gewoontes en het verlies van innerlijk kompas.

Gurdjieff gelooft dat de meeste mensen op automatische piloot leven: gedreven door gewoonte, sociale conditionering en innerlijke verdeeldheid. Beelzebub’s Tales is geschreven als een soort innerlijk oefenboek, maar dan gecodeerd. De stijl is bewust ingewikkeld, traag en soms verwarrend. Niet om te irriteren, maar om de lezer te dwingen met aandacht te lezen, om oude patronen te doorbreken.

Centraal staat het idee dat echte evolutie van de mens mogelijk is, maar alleen via bewuste arbeid en oprechte zelfobservatie. De weg naar ‘objectief bewustzijn’ is geen intellectueel pad, maar een langdurige en integrale oefening waarin lichaam, gevoel en denken opnieuw in balans moeten worden gebracht.

Dit boek is geen spiritueel handboek in traditionele zin, maar een alchemistisch werk dat de lezer confronteert met zichzelf. Beelzebub’s Tales is zowel een mythe, een aanklacht als een uitnodiging: om wakker te worden, om jezelf niet te geloven op je woord, en om, met vallen en opstaan, werkelijk mens te worden.