Embodied cognition is een benadering binnen de cognitiewetenschap die stelt dat denken niet alleen in het brein plaatsvindt, maar in het hele lichaam en in interactie met de omgeving. Cognitie ontstaat uit de voortdurende wisselwerking tussen hersenen, zintuigen, motoriek en context. Het klassieke beeld van de mens als een brein dat informatie verwerkt los van het lichaam is volgens deze visie te beperkt.

Een kernidee is dat perceptie en actie onlosmakelijk verbonden zijn. Wat iemand waarneemt, wordt mede bepaald door wat hij of zij lichamelijk kan doen. Een trap ziet er anders uit voor een kind dan voor een volwassene, omdat hun lichamen andere mogelijkheden hebben. Denken is dus niet alleen representaties in het hoofd manipuleren, maar ook voorbereid zijn op handelen in de wereld.

Het lichaam beïnvloedt bovendien emoties en besluitvorming. Houding, ademhaling en spierspanning hebben directe impact op stemming, aandacht en risicobeoordeling. Wie gespannen zit, denkt anders dan iemand die ontspannen beweegt. Emoties worden in deze benadering gezien als lichamelijke toestanden die het denken sturen, niet als puur mentale labels.

De omgeving maakt ook deel uit van het cognitieve systeem. Hulpmiddelen zoals pen en papier, een computerterminal of een werkbank functioneren als verlengstukken van het denken. Door dingen buiten het hoofd te plaatsen – notities, schema’s, fysieke objecten – wordt cognitieve belasting verlaagd en ontstaat ruimte voor complexere redeneringen. Cognitie is daarmee verdeeld over brein, lichaam en wereld.

Embodied cognition heeft invloed op verschillende domeinen. In onderwijs benadrukt het leren door doen en bewegen. In therapie ligt de focus op lichamelijke regulatie naast gesprek. In robotica en kunstmatige intelligentie groeit het besef dat intelligent gedrag moeilijk te begrijpen is zonder een lichaam dat kan waarnemen en handelen.

Kort gezegd: denken is geen losstaand proces in het hoofd, maar een dynamisch samenspel van lichaam, brein en omgeving.