De publicatie van Meaney en Szyf (2005) beschrijft hoe vroege omgevingsinvloeden – met name ouderlijke zorg – langdurige effecten hebben op de regulatie van het stresssysteem. Hun werk is gebaseerd op dieronderzoek, vooral bij ratten, en laat zien dat verschillen in moederlijk gedrag (zoals likken en verzorgen) blijvende veranderingen veroorzaken in de stressreactie van nakomelingen.
Centraal staat de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HPA-as), het systeem dat de aanmaak van stresshormonen zoals cortisol (bij mensen) reguleert. Rattenpups die veel zorg ontvangen, ontwikkelen een efficiëntere negatieve feedback in dit systeem. Dat betekent dat hun stressreactie sneller tot rust komt. Pups die minder zorg krijgen, vertonen daarentegen een verhoogde en langdurigere stressrespons.
De sleutel tot deze verschillen ligt volgens de auteurs in epigenetische mechanismen, met name DNA-methylatie. Zij tonen aan dat moederlijk gedrag de methylatie beïnvloedt van het gen dat codeert voor de glucocorticoïdreceptor in de hippocampus. Meer zorg leidt tot minder methylatie en dus tot hogere genexpressie, wat resulteert in betere stressregulatie. Minder zorg geeft het omgekeerde effect.
Opmerkelijk is dat deze veranderingen stabiel blijven tot in volwassenheid, maar niet onveranderlijk zijn. Experimentele interventies konden de epigenetische markeringen deels terugdraaien. Daarmee onderstrepen Meaney en Szyf dat genen geen vaststaand lot bepalen: omgevingsinvloeden “programmeren” biologische systemen, maar plasticiteit blijft bestaan.
De studie levert fundamenteel bewijs dat vroege ervaringen biologische sporen nalaten die gedrag en stressgevoeligheid beïnvloeden. Het werk vormde een belangrijke basis voor latere onderzoeken naar intergenerationele overdracht van stress en trauma bij mensen.